Previous Columns 2006

Au m'n oren
Jazz = Jazzism=Jazzwasm=Jazzgezever
Kloon II
Kloon
Groep 8 leert de kneepjes
Je leert altijd weer wat
Verwachtingen voor 2006

First published 10.6.2006

"Au m'n oren."


Zit ik in de auto naar het Radio 1 journaal te luisteren ‘s avonds na half zeven, zetten ze plotseling een stukje muziek op. Zonder waarschuwing. Meedogenloos want vals, vals niet te geloven zo vals. Je ontkomt praktisch nergens meer aan de muzikale ellende, ook hier dus niet.
Ik drukte meteen de beste voorziening van de autoradio in, de mute-knop. Na drie minuten dacht ik de ellende wel voorbij te zijn maar ik pikte nog net het staartje mee. Mijnheer Govert van Brakel kondigt deze muzikale treurnis af met de woorden:
"Het klinkt een beetje als Billie Holliday deze Jodie Holland....".
(Govert kan wel afgeserveerd worden als zijnde toondoof) Te erg voor woorden deze zeurzangeres in optima forma.
Arme Billy.
Vriend van mij vertelde, dat hij laatst in een restaurant te eten zat waar op de achtergrond Billie Holliday te beluisteren viel, dacht hij. Toen hij eventjes beter luisterde wist hij meteen, dat het Billie Holliday niet kon zijn vanwege de timing of beter het gebrek aan. Hij vroeg wie deze imitatrice wel mocht zijn, bleek ene Madeleine Peyroux. Heeft ongetwijfeld ontelbare cd's verkocht met deze volksverlakkerij.
Raakte over dit soort zaken in een discussie verzeild met een andere vriend, die denkt dat luisteraars naar de imitators toch op een gegeven moment op zoek gaan naar het origineel.
Dus je hoort Joey DeFrancesco en dan ga je op een goed moment op zoek naar Jimmy Smith.
Of je denkt, wie was dat nou die Billie Holliday, die mijn toppertje Madeleine geïnspireerd schijnt te hebben.
Geloof ik daar in? Nou, nee en wel om een aantal redenen.
De voornaamste, mensen zijn lui. Die gaan zich niet inspannen om iets te achterhalen waar ze niet wezenlijk in geïnteresseerd zijn. (Dan zouden ze die cd's al in huis hebben).
Een andere reden vormt de verkrijgbaarheid. Niet alle muziek van de (vergeten) grootheden is op cd verkrijgbaar, soms wel compilaties maar het blijft vaak behelpen.
Ook hebben de platenmaatschappijen er niet altijd belang bij om oud materiaal opnieuw uit te brengen, want we leven nu eenmaal in de wereld van nieuw, nieuwer, nieuwst. Ouwe troep flikkeren we de deur uit. Als je als platenmaatschappij flink geïnvesteerd hebt in een nieuw product, dan ga je natuurlijk niet de oude spullen promoten.
Laatst zag ik een opname uit de NTS archieven van zangeres Sarah Vaughn*). Het betrof hier een door Willem O. Duys aangekondigd ‘spontaan' optreden tijdens het Grand Gala du Disque uit 1963. Duys vraagt aan de tussen het publiek zittende (!!!) Sarah: "Wilt u iets voor ons zingen?" Haar antwoord luid bevestigend en op de vraag wie haar moet begeleiden antwoordt ze: "Douglas Duke, die is ook hier."
Douglas Duke was een in die tijd in Nederland verblijvende Hammond virtuoos.
Als je Sarah even wat standerds hoort vertolken, dan weet je meteen dat alle hedendaagse zangeressen het wel kunnen schudden. Bij gebrek aan timing, muzikaliteit, stemvolume, toon en improvisatievermogen. Maar ga eens op de Albert Cuyp staan met een microfoon en vraag de passanten wie Sarah Vaughn was en wie Madeleine Peyroux is en als je al antwoord krijgt op die vraag zal dat ten faveure van de laatstgenoemde zijn. Sarah's naam zal bij de meesten geen enkele bel meer doen rinkelen, maak ik mij sterk.

Tant pis, het is niet anders.

Herbert

*)Met dank aan Rien Boendermaker

First published 01.6.2006

"Jazz = Jazzism=Jazzwasm=Jazzgezever"


De kans dat Kamikazepiloten hun op vernietiging gerichte actie overleefden mag vele malen hoger worden ingeschat dan de overlevingskans van een jazzblad in ons land.
Het exploiteren van een dergelijke uitgave kan rustig onder de noemer liefdewerk en oud papier worden geschaard.
Toch blijken er elke keer weer enthousiastelingen voor het jazzblad karretje gespannen te kunnen worden. De klus die tot op heden door niemand geklaard is, denken zij wel even te kunnen klaren. Ik mag hier fijntjes om glimlachen.
Er zijn een paar foute uitgangspunten die tot de oprichting van een jazzblad leiden:
1. Er is een publiek voor jazz
2. Men zit te wachten op een jazzblad
3. De informatie is interessant genoeg
4. De adverteerders stromen toe
5. Er is sprake van een bruisend jazzleven

Als er al ooit een publiek voor jazz is geweest, iets wat ik waag te betwijfelen, dan was het in ieder geval miniem. Met ingewijden heb ik wel eens een schatting gemaakt van het aantal echte jazzliefhebbers in ons knollenland. We kwamen echt niet boven de 10.000*) uit en dan nog met ruime maat gemeten. In ieder geval een te kleine basis om daar een bruisend jazzleven mee te entameren. Als je alleen al weet, dat van elke 100 verkochte cd's er slechts één onder de zeer ruime noemer jazz (incl. blues/dixieland e.a.) geschaard kan worden, dan voel je de bui al hangen.
Die al redelijk beperkte groep wil misschien wel een jazzblad maar dan wel een actueel jazzblad, en niet een glossy dat om de twee à drie maanden verschijnt.
Een adequate concertagenda vormt wel een minimum vereiste, iets wat bij genoemde verschijningsfrequentie natuurlijk een lachertje blijft.
De informatie is absoluut niet interessant genoeg want je hoeft maar een paar jaargangen door te bladeren van de tot op heden verschenen uitgaven en je komt een onafzienbare stroom artikelen over steeds dezelfde dode jazzmuzikanten tegen. De top drie: Parker, Holiday en Davis op de voet gevolgd door Coltrane.
Als er eens een nieuwe naam opduikt dan wordt die altijd minimaal gerelateerd aan één van deze vier. Zangeressen, de stakkers, worden zonder uitzondering met Holiday vergeleken en blazers die niet minstens de namen van Parker, Davis of Coltrane als inspiratiebron noemen mogen niet meer meedoen.
Adverteerders kijken naar het lezersbereik en zetten daar meteen de nodige vraagtekens bij. Alleen adverteerders met een schier onbegrensd budget en met een jazzafwijking plaatsen tegen beter weten in een advertentie, uit medelijden.
Een bruisend jazzleven is mij onbekend. In een ‘kleine wereldstad' als Amsterdam kan niet eens een echte -ongesubsidieerde- jazzclub de deuren geopend houden. (Slavendrijverijen als De Alto, laat ik even buiten beschouwing). Het is al talloze malen geprobeerd en even vele keren faliekant mislukt, in het laatste decennium mogen De Odeonkelder, Parker en als laatste De Pompoen in deze als ondersteunend voorbeeld dienen. De Pompoen slaagde er bijvoorbeeld zelfs met een naam als Lonnie Smith niet in, het volk voor de tv vandaan te rukken.
De laatste jaren moest de jazz-geïnteresseerde het doen met de glossy ‘Jazz'. Hoewel tegen beter weten in er op geabonneerd, viel het niet mee. Een eindeloze reeks van zangeressen, foute dj's en niet swingende muzikanten figureerden op de glanzende pagina's afgewisseld met totaal misplaatste mode, restaurant recensies en andere flauwekul.
De redactie die voor deze flauwekul verantwoordelijk was heeft een maandje geleden aan de kuierlatten getrokken wegens financiële wanprestatie van de uitgever.
Ze zijn niet stil blijven zitten en hebben nu bij een nieuwe uitgeverij de kans gekregen om aan te tonen dat ze wel een echt jazzblad kunnen maken. Dit blad, waarvan de eerste uitgave inmiddels in de kiosken ligt, heet Jazzism. Tja.
Bij de cd-recensies wordt meteen de nieuwe cd van Jazzanova besproken, niet echt iets waar de oprechte liefhebber met bonzend hart naar zal uitkijken. Nou ja ieder z'n lol, maar wel een duidelijk voorbeeld van jazzinflatie.
Ik vrees, dat de gedrukte jazzmedia het stevig voor de kiesjes gaan krijgen met de inmiddels al vier internet jazzmagazines, die veel actueler, geen plaats innemen en ook nog eens gratis zijn.
Vooral dat laatste spreekt een belangrijk woordje mee, zeker in ons land.

Herbert

*)Toen ik eind zestiger jaren de 14-daagse 'Jazzagenda' uitgaf, bereikten wij na twee jaar een maximum oplage van 3.200 gratis(!!) stuks. Deze oplage was tot stand gekomen mede dank zij de adressenbestanden van bijna alle Nederlandse jazzclubs e.d. waaronder Paradiso.
Ook het eerste door Paul Acket georganiseerde North Sea vormt een indicatie met 8.900 bezoekers in drie dagen(!!)




First published 03.5.2006

"De klonen zijn niet meer aan te slepen"


In mijn vorige column haalde ik Mark Mosley aan, die lucht had gegeven aan zijn ontstemming betreffende het ‘klonendom'. Dinsdag 18 april kreeg ik een mailtje, dat de nieuwe ‘Jazzflits' te downloaden viel. Dat deed ik en vervolgens kwam ik op pagina 6 een betere onderbouwing van ons betoog tegen dan ikzelf had kunnen verzinnen.



Deze lijst is een top-10 van de door Noord-Amerikaanse radiostations meest gedraaide jazz.
Daar bevinden zich dus drie !!! organisten onder, namelijk Larry Goldings, Joey Defrancesco en Tony Monaco. Hoera zou de nietsvermoedende Hammondorgel-liefhebber dan uitroepen. De nietsvermoedende, ja die zou dat kunnen doen maar zij die beter weten worden van dit lijstje vermoedelijk niet echt verheugd. Want van genoemde drie vallen er twee ruimschoots binnen het begrip ‘kloon'. Larry Goldings als Larry Young kloon en Joey als Jimmy Smith kloon. En nogmaals met ‘kloon' bedoel ik niet, dat het spel van Larry Young en Jimmy Smith op eigen wijze geïnterpreteerd wordt maar een letterlijk noot voor noot kopiëren. Tony valt wat meer buiten het begrip kloon, hij speelt Smith niet meer letterlijk na maar in sommige nummers leent hij wel erg opvallend van zijn idool.
(Het staat de lezer overigens vrij met het vingertje naar schrijver dezes te wijzen maar u zult dan toch wel met overtuigende argumenten aangevuld met auditief bewijsmateriaal aan moeten komen om mij van klonen te kunnen beschuldigen).
Defrancesco gaat overigens wel erg ver in zijn imitatiedrift want lees ik ergens in de aankondiging van een op 30 april as. in het Bim-huis te geven concert: ‘....als hij maar niet met zijn buik de toetsen gaat bespelen, zoals hij op het North Sea demonstreerde....".
Met zijn buik?
Godsamme een grap die de nogal omvangrijke Joey van ‘original' Milt Buckner heeft afgekeken. How low can you go. Waarom wel aandacht voor een papegaai als Defrancesco en niet voor nog levende originals als Melvyn Rhyne, Chester Thompson en Sonny Philips om er een paar te noemen.
De fantastische muziek van deze organisten kan niet vaak genoeg over de radio gespeeld worden maar helaas, dat gebeurt niet, men geeft duidelijk de voorkeur aan imitatie. Om moedeloos van te worden.
De lezer wil ik graag nog even op een artikel wijzen van de hand van Kenny Drew Jr., waarin deze zich afvraagt wat er in godsnaam met de zwarte muziek aan de hand is. Van de hedendaagse populaire (zwarte) muziek wordt hij niet echt blij en daar kan ik hem geen ongelijk in geven. Klik hier voor het artikel:
What the Fuck happened to Black Popular Music?

Herbert


Afgelopen april zou Henk van Es 75 jaar zijn geworden, hij heeft zijn verjaardag echter al elf jaar niet meer mogen vieren. Ter ere van zijn geboortedag (4.4.1931) heeft de Stichting Jazz Werkgroep een cd uitgebracht waarop de registratie van een concert in de toenmalige roemruchte discotheek ‘37 op de schaal van Richter'. Naast Henk op bariton, deden mee: Rinus Groeneveld (ten.sax), Henk van der Hurk (gitaar) Max Bolleman (drums) en uw columnist Herbert achter de manualen van een Hammond C3.
Een unieke opname zeker waar het Henk van Es betreft die behalve op de LP ‘Live at the Bohemia Jazzclub' uit 1969, nergens anders te beluisteren valt. Een omissie waar nu op bescheiden wijze iets aan gedaan is. Zie ook de:

Advanced Warning Nieuws pagina.





First published 15.4.2006


"Kloon"


Via internet kwam ik in contact met jazzgitarist Mark Mosley www.markmosley.us. Mark heeft met een flink aantal bekende en minder bekende jazzgrootheden gespeeld waaronder Dr. Lonnie Smith en Lou Donaldson met wie hij in o.a. Spanje toerde. Momenteel speelt hij met zijn trio in een Thais restaurant in Washington DC. Daar komen vaak bekende muzikanten binnenlopen die op tournee Washington aandoen. Op een avond stapten tenor saxofonist Ron Holloway en Derek Trucks -een naar het schijnt
wereldberoemde slide-gitarist- bij de Thai naar binnen.
Ron speelt in de band van Derek die erg ‘fusion' en wereldmuziek georiënteerd blijkt te zijn. ‘It gives confusion' zou Lou Donaldson zeggen, ‘when you mix all kinds of music together.'
Mark schrijft voor een gitaarblad een column en uit de column die hij schreef naar aanleiding van het bezoek van de twee genoemde muzikanten pikte ik het volgende:

"It's ironic that a gifted cat like tenor-player Ron Holloway isn't playing the music that his mentors such as Hank Mobley and Dizzy played to live on most of the time. I wish him the very best. It seems that jazz is in real danger when you'll see jazz clones before you will hear real cats who are still living (like Kenny Burrell) on the Oprah show. Jazz lovers, why don't you e-mail Oprah about it!"

Ik zal Mark bij gelegenheid eens vragen welke kloon van Kenny Burrell bij Oprah zijn opwachting maakte, maar hij heeft hier duidelijk een punt.
Aan mijn nogal strikt in de leer zijnde levensgezellin werd onlangs gevraagd of ze zin had mee te gaan naar een concert dat door Joey Defrancesco gegeven zou worden in het BIM-huis.
Haar antwoord: "Ja, met een dubbelloops jachtgeweer om de imitator op een schot hagel te trakteren". Nogal een heftige reactie maar niet onbegrijpelijk. Bij een kennis hoorde zij ooit een opname van ‘Got my Mojo working' -die zij thuis compleet grijs gedraaid had- naar zij dacht gespeeld door Jimmy Smith. Het viel haar echter op, dat de paar specifieke kreunen ontbraken die Smith tijdens zijn vertolking op deze opname laat horen. Toen zij de hoestekst las, kwam zij er achter dat hier sprake was van een exacte kopie, noot voor noot maar zonder die kreunen. De naam van die kopiist was: Joey Defrancesco.
Het probleem schuilt er natuurlijk in, dat van de huidige generaties praktisch niemand de originelen zal kennen, als men zich daarvoor al interesseert. Immers geschiedenis vormt al een ondergeschoven kindje in het huidige onderwijs, over muziekgeschiedenis zullen wij het dan maar helemaal niet hebben laat staan over jazzmuziekgeschiedenis.
Dus een jonger iemand die naar Smith kloon Defrancesco luistert, zal zich hier in 99% van de gevallen niet bewust van zijn, dat er naar een kloon geluisterd wordt.
De drogreden die ik wel eens hoor om het klonen te rechtvaardigen, dat door het luisteren naar de imitator de belangstelling voor het origineel gewekt wordt, acht ik niet valide. Dat zal namelijk niet het geval zijn.
Te vrezen valt dat bij gebrek aan originaliteit, mede aangewakkerd door een publiek wat aan originaliteit geen boodschap heeft, het aantal klonen alleen maar zal toenemen.
Jazz is mogelijk gedoemd tot eenzelfde praktijk als in de klassieke muziek, honderden vertolkingen van hetzelfde werk zonder ook maar het geringste spoortje originaliteit.


Herbert
(Als ik deze dagen weer de tientallen aankondigingen van de diverse ‘Passionen' hoor, als ik dan tevens politieke hotemetoten als Balkenende, Hoogervorst en Donner hoor juichen, dat ze voor de vierde of vijfde maal naar Naarden afreizen om dit muzikaal Wees Gegroet-je tot zich te nemen, dan is het mij treurig te moede. Overigens in wat voor gezelschap begeef je je als tussen de aanwezigen Bach-hobbyisten zich ook figuren als de kortelings in de AH-affaire veroordeelde heer Meurs bevinden. Bien étonné de se trouver ensemble).


First published 02.2.2006


"Groep 8 leert de kneepjes"


Dat het onderwijs is ons land al enige decennia aan een stevige inflatie onderhevig is, wordt met de dag duidelijker. De informatie die de media omtrent dit onderwerp verschaffen is zonneklaar: Leren is taboe. De leerling zoekt het noodgedwongen zelf maar uit want de laatste lichtingen onderwijzend personeel -de uitzonderingen daargelaten- weten zelf ook van bijna niets. Ik zal het wel te zwart afschilderen maar aan die indruk kan ik mij niet onttrekken.
Uit een onderzoek van tweedejaarsstudenten aan de Hogeschool InHolland bleek dat niet alle basisscholen muziekles geven en dat, als dat wél gebeurt, die vaak saai en niet uitdagend is.
Daar kan ik mij wel wat bij voorstellen. Het onderwijzend personeel heeft tijdens de studie al weinig tot geen onderricht in dit vak gekregen, dus hoe moeten zij op hun beurt, hun niet aanwezige kennis, laat staan enthousiasme, op de leerlingetjes overbrengen? Muziekonderricht is in ons land altijd al een ondergeschoven kindje geweest. Zelf zat ik op een vrij exclusieve school in Amsterdam-Zuid waar wel in de derde klas Frans werd gegeven maar muziekonderricht alleen facultatief op woensdagmiddag. Die woensdagmiddagen moeten voor het kleine grut een behoorlijke kwelling zijn geweest want dat onderricht bestond voornamelijk uit blokfluit-les. Nu weet ik een ding zeker, als je kinderen voor de verdere duur van hun leven met een antipathie tegen muziek wilt opzadelen, doe ze op blokfluit-les. Een instrument dat alleen geschikt is voor toondoven. Buiten op straat spelend, hoorde ik het gekerm, dat door de woensdagse blokfluitbespelers werd voortgebracht en daar werd ik geenszins door geënthousiasmeerd, aanmelden was er dus niet bij.
Trouwens op geen van de scholen waarop ik onderwijs heb genoten was er sprake van muziekonderricht. Het zal wel iets met onze volksaard uitstaande hebben, die neigt nogal naar het praktische en als muziek iets niet is dan is het praktisch. Wat heb je er aan, wat kost het, en wat levert het op, dat zijn de overwegingen die ons cultuurbeleid bepalen en niet zaken van schoonheid en ongrijpbaarheid. Een Nobelprijs voor de economie hebben wij dan ook wel binnengesleept maar een Nobelprijs voor de literatuur ligt ver buiten ons bereik.

Toch is het kortweg schandalig dat er geen gedegen muziekonderricht gegeven wordt. De afgelopen decennia zijn er weer massa's adolescenten de wereld ingestuurd zonder enige -broodnodige- culturele bagage. Van dat beleid begint ons land meer en meer de wrange vruchten te plukken. Zo ook groep 8 van basisschool De Kleine Reus in Amsterdam.
Wat wil het geval. De bovengenoemde studenten -ook al zo'n begrip dat aan gierende inflatie onderhevig is- van InHolland waren de mening toegedaan dat ...'er meer is dan alleen triangelen en blokfluiten'. Wat doe je na zo'n constatering, dan zend je DJ Don Diablo (betere naam voor een DJ had ik zelf niet kunnen verzinnen. H.) op het grut af. "Want", zo zeggen de studenten, "hier leren de kinderen met echte artiesten muziek van deze tijd maken."
Nu ga ik niet ontkennen dat Don Diablo van deze tijd is, maar hoezo artiest? De potentiële cultuurminnaartjes, krijgen op deze manier toch een ietwat verwrongen beeld van het artiest zijn opgedrongen.
Hoe gaat zo'n eigentijdse muziekles nu in z'n werk? Lees en huiver mee:
"De 11-jarige Yoel mag als eerste achter het mengpanel van Don Diablo plaatsnemen. De koptelefoon zit, zoals het een dj betaamt, maar op één oor. Vol concentratie is zijn blik op de knop gericht. Die ene knop moet hij precies op het goede moment indrukken om twee nummers vloeiend in elkaar te laten overlopen. "Doe het op je gevoel," zegt Don Diablo. Na een paar keer proberen heeft Yoel ‘raak' gedrukt. De klas applaudisseert. "Het lijkt gemakkelijk als je het ziet, maar het is best moeilijk", zegt Yoel."

Behalve, dat er hier een toekomstige gehoorgestoorde de knop indrukt, lees de alarmerende onderzoeken over gehoorproblemen onder de jeugd, is er een faliekante misvatting in de jeugdige breintjes gepompt, namelijk dat muziek met één vloeiende druk op de knop gemaakt wordt. Een actie die door de jeugdige knopdrukker ook nog als ‘moeilijk' ervaren wordt.
"Zuster, mag ik alstublieft het grauw papierenzakje van u ter bestrijding van mijn opkomende hyperventilatie?"
Ik moest denken aan het interview met Rein de Graaff, dat ik las in het november nummer van ‘Draai om je oren' aan het einde zegt Rein:
"Het zijn alleen nog ouderen die cd's kopen. Als die mensen er niet meer zijn is het gebeurd. We krijgen het niet meer voor mekaar jongeren in jazz te interesseren. Daar zijn al genoeg discussies en conferenties over geweest met alle mogelijke hotemetoten en deskundigen. Jazz hoort niet meer bij deze maatschappij. Het is een underground iets. Dat is voorbij. De groten van de jazz leven niet meer en de overgeblevenen worden tot ster gebombardeerd. Maar dat zijn ze niet en dat werkt niet. De jazz gaat ter ziele."
Alleen kan het woordje ‘jazz' beter vervangen worden door ‘muziek'. Need I say more?

Herbert
First published 17.1.2006

Je leert altijd weer wat.


Mijn jongelingen jaren gingen godzijdank niet gebukt onder ‘top 100', ‘hitlijsten' en andere flauwekul die de muziekbusiness er niet aangenamer op maken. Met deze materie heb dan ook geen enkele affiniteit mede door het feit, dat wat als ‘top' wordt aangeduid wat mijn muzikale smaak betreft ver onder de ‘top' ligt.
Onlangs las ik in de VPRO-gids echter een stukje wat een andere kijk op dit fenomeen verschafte. Het kwam er op neer, dat deze ‘top-' en ‘hit-lijsten' in het leven waren geroepen door raciale motieven. Halverwege de jaren vijftig, begin jaren zestig kwam in de USA de belangstelling van blanke jongeren voor zwarte muziek en musici op gang. Waar voorheen de zwarte muziek strikt gescheiden werd gehouden van het blanke publiek werd er nu, zeer tegen de zin van de machthebbers, aan deze scheidslijn geknaagd. Met groot ongenoegen zagen deze een vervaging van de sinds jaar en dag op veel gebieden heersende apartheid plaats vinden.
Door het simpele gegeven, dat veel van de zwarte muziek op kleine onafhankelijke en vaak alleen maar regionaal opererende labels verkrijgbaar was, werd met het in leven roepen van een ‘top 40' die volop gemanipuleerd kon worden door de landelijk opererende labels, de mogelijkheid geschapen zwarte muziek van het platen-toneel te weren.
Deze optie werd ten volle uitgebuit, met als resultaat, dat zwarte artiesten het onderspit dolven. De nare smaak in mijn mond, die ik normaal al krijg bij het horen van termen als ‘hitlijst', ‘top veertig' en dergelijke, werd nog heviger.
Ik kom op bovenstaande door een recensie onder de noemer ‘jazz', die ik in Het Parool las.
Lees even met mij mee:
"Sinds het debuutalbum van Norah Jones is jazz geen term meer waar men een vies gezicht bij trekt. Vorig jaar stonden er maar liefst acht jazzalbums in de ‘Album Top 100'. Jamie Cullum, Paul Anka, Madeleine Peyroux, Michael Bublé scoorden allen hoge ogen in de hitparades."
Behalve dat ik door deze opsomming even met stomheid geslagen was -Paul Anka???!!!!!- werd mij ook duidelijk dat het eroderen van het begrip jazz groteske vormen begon aan te nemen.
Het is zonneklaar dat de grote platenmaatschappijen nog steeds de boel manipuleren en dat echte (jazz-)muziek, veelal in eigen beheer uitgegeven of bij financieel wankele platenmaatschappijtjes, nog steeds het kind van de rekening is.
Ik moest ook denken aan de woorden van Alan Lomax van wie ik onlangs een indrukwekkende documentaire op de TV mocht zien. Wat hij zei, kwam neer op, dat je met een paar miljoen dollar een landelijke zender kunt beginnen en met een paar dollar een radio kunt kopen waarmee je die zender kan ontvangen. Door deze ongelijkheid bepaald de zender welke muziek uitgezonden wordt en kan tevens bepaalde muziek uitbannen. Iets wat Hilversum inzake jazz in ieder geval wel is toevertrouwd.
Lomax heeft meteen klip en klaar gemaakt waarom ik zo weinig naar de Hilversumse zenders luister en zeer regelmatig naar BNR, waar Dulferjazz wordt uitgezonden.
Waarvan akte.

Herbert



First published 4.1.2006

Verwachtingen voor 2006


- Halverwege 2006 ontdekt het Amsterdams Conservatorium, dat er ook witte muzikanten zijn die zwarte muziek spelen.
- De programmering van de Jazz Impulse concerten laat alleen nog maar zangeressen zien, zowel voor als na de pauze.
- In het blad Jazz verschijnt een artikel over de invloed van John Coltrane op de muziek van de Rolling Stones.
- Tenorist en fluitist Lew Tabackin verlaat vloekend het podium als hij ziet wie er drumt.
- Het voor de eerste maal in de Rotterdamse Ahoy-hallen gehuisveste North Sea Jazz Festival verwacht een eclatant succes,
dankzij het contracteren van de jazzzangers Gordon en Joling.
- Michiel Borstlap krijgt een compositieopdracht van de sultan van Brunei. Ingehuurd moeten worden: Een kudde zebra's,
zesentwintig olifanten, achttien kangoeroes, twee getrainde dolfijnen, de Wiener Philhamoniker aangevuld met het
Metropole orkest en twaalf Italiaanse operazangers.
- De Edisons voor jazz worden aan Lange Frans en Baas B. toegekend.
- In het blad Jazz verschijnt een artikel over de blues van Marco Borsato.
- Tenorist en fluitist Lew Tabackin verlaat gillend het podium als hij de pianist herkend.
- The New Cool Collective gaat op tournee naar China en beland daar in het gevang wegens het ophitsen van de massa.
- Eind 2006 ontdekt het Amsterdams Conservatorium, dat zwarte muzikanten ook witte muziek maken.
- In de programmering van de Jazz Impuls concerten worden de namen van de begeleiders niet meer vermeldt.
- In het blad Jazz verschijnt een artikel over de invloed van Muddy Waters op Anouk.
- Tenorist en fluitist Lew Tabackin besluit niet meer in Nederland op te treden.
- De eerste editie van het Rotterdamse North Sea Festival wordt een doorslaggevend succes mede dankzij een gezamenlijk optreden van Ali B. en dj Testikel.
- In het blad Jazz verschijnt een artikel over de invloed van Miles Davis op Acda en de Munnik.
- De Boy Edgar Prijs wordt uitgereikt aan Gerard Joling vanwege zijn verdiensten voor de Nederlandse jazz.
- Het Amsterdams Conservatorium besluit de jazz-afdeling op te heffen en een afdeling ‘doedelzak-bespeling' op te richten, nadat onomstotelijk bewezen is dat de gospel uit Schotland komt.
- In het blad Jazz vertellen de Havenzangers over hun muzikale beïnvloeding door Cecil Taylor.
- Michiel Borstlap krijgt een compositieopdracht van koningin Beatrix. Hiertoe dienen ingehuurd: Een roedel wolven, een batterij legkippen, twaalf witte neushoorns, twee getrainde struisvogels, de kapel van de Koninklijke Marine, het Don Kozakkenkoor, veertien Mongoolse ruiters en Ali B. Prinses Christina neemt de solopartij voor haar rekening.
- In het blad Jazz verschijnt een artikel over de invloed van Charlie Parker op Imca Marina.

Het wordt dus weer een swingend jaartje.

Herbert


Previous Columns/Vorige columns 2005 2004 2003 2002 2001 2000 1999 1998
Infopage Songbook for Hammondorgan Guitarbooks CD's for sale